Moeten woningcorporaties scheefwonen toestaan om te voorkomen dat wijken afglijden?

Malburgen telt meer dan 120 verschillende nationaliteiten en is daarmee een multiculturele wijk in Arnhem (2019). De wijk is in 2007 op de lijst van 40 Nederlandse ‘aandachtswijken’ gekomen van de onlangs overleden oud-minister Ella Vogelaar. Meer dan tien jaar later is het volgens Walter Klein Nienhuis, van Bewonersbedrijf Malburgen, nog steeds een aandachtswijk. Klein Nienhuis is van mening dat passend toewijzen bij woningcorporaties zorgt voor sociaal zwakke wijken met huurders met een laag inkomen. Mensen met een hoger inkomen moeten volgens hem toegang krijgen tot sociale huurwoningen, zodat zij een rolmodel zijn voor mensen in de buurt (De Gelderlander, 2018).

In de Woningwet staat dat woningcorporaties zich moeten richten op bouwen, verhuren en beheren van sociale huurwoningen. Betaalbare huurhuizen mogen zij niet aan iedereen verhuren (Rijksoverheid, 2019). Woont iemand in een goedkope sociale huurwoning terwijl hij met zijn inkomen een duurdere woning kan betalen? Dan is er sprake van scheefwonen.

Uit het verhaal van Klein Nienhuis maak ik op dat woningcorporaties scheefwonen moeten toestaan om te voorkomen dat wijken afglijden.

In dit essay wil ik bovenstaande stelling beargumenteren aan de hand van een aantal wetenschappelijke publicaties die gaan over sociale vermenging in wijken van Arnhem (2009), Gent (2014) en Rotterdam (2019). Deze wil ik vervolgens confronteren met de theorieën van Jane Jacobs en Susan Fainstein over de multifunctionele stadswijk en sociaal-ruimtelijke ongelijkheid.

Ten eerste wordt het afglijden van een wijk toegerekend aan dat er geen sociale menging is. Sociale menging wordt gezien als een instrument voor integratie van inwoners met verschillende achtergronden en verbetering van de sociale omstandigheden in arme stadswijken. In hun onderzoek ‘Welcome to the neighbourhood’ (2009) tonen Müller en Smets aan dat culturele verschillen tussen Irakezen en Nederlanders in de wijk Malburgen de interactie beïnvloedt. Zij vinden dat het beeld over interactie tussen inwoners met verschillende achtergronden complexer is dan wordt weergegeven in het huidige integratiedebat. Ondanks meerdere pogingen van Irakezen tot toenadering tot hun Nederlandse buren, werden zij vaak geconfronteerd met een houding van achterdocht. Hieruit blijkt volgens Müller en Smets dat er maatregelen genomen moeten worden die sociale menging mogelijk moeten maken.

Dit beeld wordt versterkt door het onderzoek van Schuermans, Meeus en De Decker. Zij stellen dat academici en beleidsmakers te lang vanuit het perspectief van de kansarmen hebben gekeken naar de effecten van sociaaleconomische en etnische segregatie (Schuermans, Meeus, & Decker, 2014). In hun onderzoek tonen ze aan dat door sociale menging in de buitenwijken van Gent de mensen uit de middenklasse niet de functie van een rolmodel innemen. In werkelijkheid doen ze hun uiterste best om contacten met etnische minderheden en armen zoveel mogelijk te vermijden.

Mooi is dan ook de recent verschenen studie ‘Coming to terms with superdiversity: the case of Rotterdam’, van Scholten, Crul en Van Laar (2019). In hun studie naar diversiteit in steden als Rotterdam, Antwerpen en Malmö tonen zij aan dat het veel beter gaat met de tweede en derde generatie migranten. Een grote groep is hoogopgeleid en heeft de kansen op de arbeidsmarkt vergroot, maar aan de andere kant blijft een even grote groep achter. Sociologen hebben deze groeiende complexiteit van diversiteit beschreven als superdiversiteit. De situatie is dat diversiteit zelf zo divers is geworden dat je niet meer kan spreken over duidelijke meerderheden of minderheden (Vertovec, 2007) (Meissner, 2015) (Crul, 2016). In de kern leert de studie mij dat rolmodellen uit de ‘eigen gelederen’ kunnen komen.

Je kunt dus stellen dat scheefwonen en sociale menging los van elkaar gezien moet worden, want de rolmodellen uit ‘eigen gelederen’ kunnen ook scheefwonen in Malburgen. Je kunt ook stellen dat sociale menging bij superdiversiteit gebonden is aan hoger opgeleiden en inkomen en niet aan etnische achtergrond.

Ten tweede kan het afglijden van een wijk toegerekend worden aan de tegenstellingen tussen stad en land. In het onderzoek van Müller en Smets (2009) worden de leefstijlen ‘Gemeinschaft’ en ‘gesellschaft’ genoemd. Een Gemeinschaft  wordt gekenmerkt door een meer gesloten manier om samen te leven. Gesellschaft  benadrukt een meer openbaar leven waar mensen actief zijn in het opbouwen van hun eigen sociale wereld. Gemeinschaft en Gesellschaft kan ruwweg worden gekoppeld aan een  landelijke  en  stedelijke  manier  van  leven (Tönnies, 2001). In het onderzoek wordt ook kritiek geuit op de stedelijke en landelijke leefstijlen. Zij vinden dat  de  bevolkingsomvang, dichtheid en diversiteit van de stad niet automatisch leidt tot een anonieme en vluchtige vorm van sociaal leven. Ze beschrijven buurten in de stad als dorpen waarin mensen deel uitmaken van een dicht netwerk van vrienden en familie, waarin een groot deel van hun sociale leven plaatsvindt. Gans (1962) bedacht zo het concept van de stadsdorpelingen. De conclusie van Müller en Smets is dan ook dat Irakezen als politieke vluchtelingen meer verwelkomd zouden worden dan arbeidsmigranten. De Irakezen doen meer hun best om onderdeel te worden van de buurt waar arbeisdmigranten een economisch motief hebben en de buurt niet zien als ‘hun buurt’.

Trekken we de stedelijke en landelijke leefstijlen door naar het onderzoek van Schuermans, Meeus en De Decker, dan zie je dat diversiteit binnen steden niet alleen toeneemt, maar ook complexer wordt door het ontstaan van ‘gated communities’ en ‘gegentrificeerde buurten’. Waar in gated communities de bewoners kiezen voor een gesloten samenleving binnen de stad zie je in de gegentrificeerde buurt een open gemeenschap waar ‘arm en rijk’ samenleven. Een mooie vergelijking met Gemeinschaft en Gesellschaft. In hun studie stellen zij dat in de jaren zestig en zeventig de immigranten niet alleen de laagbetaalde banen innamen, die de middenklasse op de arbeidsmarkt had achtergelaten, maar ook hun huizen en flats op de woningmarkt. De armste immigranten zijn vandaag de dag nog grotendeels geconcentreerd in de negentiende-eeuwse stadsgordel van Gent.

Rotterdam is wat betreft leefstijlen vergelijkbaar met Gent. Ook in Rotterdam zijn er stedelijke en landelijke leefstijlen. Met name door de vluchtelingencrisis in 2015 en 2016 is er een toename van hoogopgeleide Syriërs uit de steden Aleppo en Damascus. De in de jaren 70 gevestigde Turkse en Marokkaanse migranten hadden voornamelijk een landelijke achtergrond en daarmee ook lager opgeleid. Doordat de 2e en 3e generatie Turken en Marokkanen vooral opgegroeid zijn in Rotterdam behoren deze ook tot de stedelijke klasse. Ook is een groot aandeel hoger opgeleid. In Rotterdam bevinden migranten en hun kinderen zich in ‘oude’ buurten zoals Feijenoord en Delfshaven, maar in toenemende mate ook in buurten als Charlois en IJsselmonde, gebouwd aan het einde van de negentiende eeuw als onderdeel van de stadsuitbreiding (Scholten, Crul, & Laar, 2019). Ook hier een paralel met Gent.

Je kunt niet direct concluderen dat het afglijden van een wijk toegerekend kan worden aan de tegenstellingen tussen stad en land. Rotterdam toont zelfs aan dat een superdiverse stad een bijdrage kan leveren voor betere wijken. Zolang er arbeidsmigranten gevestigd worden in de stad, houd je altijd een tegenstelling tussen stedelijke en landelijke leefstijlen. Je kunt dus ook stellen dat de overheid hierop regie kan voeren door arbeidsmigranten te huisvesten bij de bedrijven waar ze werken.

Als laatste kunnen we het afglijden van een wijk in verband brengen met de theorieën over de multifunctionele stadswijk en sociaal-ruimtelijke ongelijkheid. De theorieën van Jane Jacobs en Susan Fainstein vullen elkaar goed aan als het gaat om de fysieke eigenschappen van een stad in relatie tot de sociale menging.

Jacobs hield in haar boek ‘The death and life of great American cities’ (1992) een pleidooi voor de multifunctionele stadswijk. Het was haar antwoord op de opkomende monofunctionele uitbreidingswijken. De kern van haar verhaal is dat dichtbevolkte wijken met een zo groot mogelijke diversiteit aan mensen, functies en bebouwing zorgen voor levendigheid, creativiteit, veiligheid en sociale interactie. Een levendige en veilige wijk voldoet volgens Jacobs aan vier criteria: de wijk heeft ten minste twee primaire functies, niet te lange bouwblokken, verschillende bouwjaren en een hoge bevolk­ingsdichtheid.

Susan Fainstein heeft in mijn ogen aan de theorie van Jacobs de sociaal-ruimtelijke ongelijkheid toegevoegd. In haar boek ‘The Just City’ (2010) beschrijft ze de principes billijkheid, diversiteit en democratie als kapstok voor rechtvaardigheid in de wijk. Deze principes moeten door planners en beleidsmakers op het niveau van de stad uitgewerkt worden, dus bottom-up. Fainstein vindt dat het onmogelijk is in een kapitalistisch systeem een rechtvaardige stad te worden. In feite bedoelt ze hiermee dat een stad niet te ver moet doorschieten in het liberalisme en de marktwerking geremd moet worden. We verdiepen ons verder in het principe billijkheid, want democratie spreekt voor zich en het begrip diversiteit is niet anders dan wat we hiervoor al benoemd hebben. Met billijkheid bedoelt Fainstein een rechtvaardige verdeling van de kosten en baten van investeringen in stedelijke ontwikkeling binnen het kapitalisme. Een mooi antwoord hierop komt van het Centraal Planbureau. Volgens het CPB (2019) kan de maatschappelijke welvaart toenemen door herinvoering van het ozb-gebruikersdeel bij woningen en/of een verhoging van de andere ozb-tarieven. Het idee dat ontwikkelaars meebetalen en gedupeerden worden gecompenseerd, draagt bij aan het gevoel van rechtvaardigheid, wat de maatschappelijke houding ten aanzien van investeringen in de wijk kan bevorderen. Als deze maatregel door een wetswijziging doorgevoerd wordt, dan kun je dit zien als een overheidsingreep op de woningmarkt. De overheid treedt hierin dus meer naar voren omdat de markt zijn werk niet goed doet. Dit strookt dus met de theorie van Fainstein over billijkheid. Mocht dit wetsvoorstel door de 1e kamer komen dan is het ook nog democratisch bepaalt.

Het afglijden van een wijk kan dus wel toegerekend worden aan het gebrek aan multifunctionaliteit en sociaal-ruimtelijke ongelijkheid. Langs de lat van Jacobs is Malburgen alles waar Jacobs niet voor staat: te lange bouwblokken, bijna allemaal uit dezelfde bouwtijd (jaren 50 en 60) en een groene wijk (tuinstad) met een gemiddelde bevolk­ingsdichtheid. Lichtpuntje is dat de woningcorporatie Volkshuisvesting samen met de gemeente het Ontwikkelplan Malburgen aan het uitvoeren is, maar dat de economische crisis even roet in het eten heeft gegooid. Er worden nu circa 500 huizen bijgebouwd die vooral gericht zijn op de lagere inkomens waarbij de geplande koopwoningen zijn geschrapt. (Malburger.nl, 2019). Door meer te verdichten en diverser te bouwen komt de wijk dichter in de buurt van de principes van Jacobs. Mocht het voorstel van het CPB er doorkomen, dan worden de gebiedsontwikkelingen uit het Ontwikkelplan sociaal-ruimtelijk rechtvaardig en kan het de goedkeuring van Fainstein wegdragen.

Moeten woningcorporaties scheefwonen toestaan om te voorkomen dat wijken afglijden?

Eerder stelde ik al dat scheefwonen en sociale menging los van elkaar gezien moet worden en dat sociale menging bij superdiversiteit gebonden is aan hoger opgeleiden en inkomen en niet aan etnische achtergrond. Ook kun je niet direct concluderen dat het afglijden van een wijk toegerekend kan worden aan de tegenstellingen tussen stad en land. Wel kan het afglijden van een wijk toegerekend worden aan het gebrek aan multifunctionaliteit en sociaal-ruimtelijke ongelijkheid. Maar of dit alles met scheefwonen verandert? Ik denk dat het een druppel op de gloeiende plaat is.

De Woningcorporatie moeten samen met gemeente en ontwikkelaars voldoende mogelijkheden hebben om van Malburgen een toekomstbestendige wijk maken waar het veilig wonen is en waar een woning beschikbaar is voor iedere inkomensklasse. Malburgen moest een tuinstad worden, maar is het nooit geworden door het goedkope naoorlogse bouwen.

  • Om van Malburgen wel die tuinstad te maken adviseer ik dat de gemeente Arnhem, de woningcorporaties en ontwikkelaars een stevige lobby inzetten voor de herinvoering van het ozb-gebruikersdeel bij woningen. Vraag ondertussen bij het rijk voor een pilot met de wijk Malburgen. Op deze wijze creëer je rechtvaardigheid en ook draagvlak voor de investeringen in de wijk.
  • Daarnaast adviseer ik om de sloophamer door de monofunctionele structuur van langgerekte bouwblokken te halen. Dit hoeft niet in één keer, maar laat het oplopen met de verduurzamingsopgave voor de wijk in het spoor van 2030-2050.
  • Vervolgens een mix van woonblokjes met eengezinshuizen, levensloopbestendige huizen en kleinschalige appartementen waarbij de openbare ruimte écht gedeeld wordt. In de geest van een tuinstad waar de ‘Stadsdorpelingen’ in ‘gesellschaft’ naast elkaar leven. Van 8 tot 88 en arm en rijk.

 

Bronnen

Crul, M. (2016). Super-diversity vs. assimilation: how complex diversity in majority–minority cities challenges the assumptions of assimilation. Journal of Ethnic and Migration Studies, 54-68.

Erik, V. v. (2018, juni 5). De Gelderlander. Opgehaald van Minder scheefwoners? In deze Arnhemse wijk willen ze er juist méér: https://www.gelderlander.nl/arnhem/minder-scheefwoners-in-deze-arnhemse-wijk-willen-ze-er-juist-meer~adcc7285/?referrer=https://www.google.com/

Fainstein, S. (2010). The Just City. Ithaca: Cornell University Press.

Gans, H. (1962). The urban villagers. Group and class in the life of Italian-Americans. New York: Free Press.

Gemeente Arnhem. (2019, oktober 29). Arnhem in cijfers. Opgehaald van http://www.arnhemincijfers.nl

Jacobs, J. (1992). The death and life of great American cities. . New York: VIntage.

Müller, T., & Smets, P. (2009). Welcome to the neighbourhood: social contacts between Iraqis and natives in Arnhem, The Netherlands. Local Environment, volume 14, number 5, 403-415.

Malburger.nl. (2019, november 2). Wijkgeschiedenis en toekomst. Opgehaald van Malburger.nl: https://malburger.nl/wijkgeschiedenis/

Meissner, F. (2015). Migration in migration-related diversity? The nexus between superdiversity and migration studies. Ethnic and Racial Studies, 556-567.

Rijksoverheid. (2019, oktober 28). Toewijzen van betaalbare woningen. Opgehaald van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/woningcorporaties/toewijzen-betaalbare-woningen

Scholten, P., Crul, M., & Laar, P. v. (2019). Coming to Terms with Superdiversity, the Case of Rotterdam. Switzerland: Springer Nature.

Schuermans, N., Meeus, B., & Decker, P. d. (2014). Geographies of whiteness and wealth: white middle class discourses on segregation ands social mix in Flanders, Belgium. Journal of Urban Affairs, volume 37, number 4, 478-498.

Tönnies, F. (2001). Gemeinschaft and Gesellschaft. In J. Macionis, & N. Benokraitis, Seeing ourselves. Classic, contemporary and cross-cultural reading in sociology (pp. 59-61). Upper Sadle River: Prentice Hall.

Vermeulen, S. (2012). Plannen voor een rechtvaardige stad. Agora, 8-11.

Verstraten, P., Ruijven, K. v., & Euwals, R. (2019). Profijt en bekostiging van ruimtelijke ontwikkeling. Den Haag: CPB.

Vertovec, S. (2007). Super-diversity and its implications. Ethnic and Racial Studies, 1024-1054.

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s